De dominee en de pater

Op een morgen gaat de telefoon van de havendominee. De Griekse superintendent van de tanker Tenacity is aan de lijn en verzoekt niet te lachen als zij vraagt of hij bekend is met geesten aan boord. Na aangegeven te hebben hier vaker mee te maken te hebben krijgt hij het verzoek aan boord te komen.
Nadat predikant Leon Rasser z’n jawoord heeft gegeven, denkt hij na. Geen twijfel mogelijk, hier moet gehandeld worden. De timing is een ander verhaal. Die is ronduit slecht. Hij zit midden in de voorbereidingen voor Pasen en ook op de Sea Pioneer – het probleemschip dat aan de ketting ligt – wordt op hem gewacht.


Nog diezelfde middag zoekt hij contact met stadsklooster La Verna in Osdorp. Al jarenlang is de samenwerking met de franciscanen een goede en ook nu wil hij even overleggen. Immers, een alledaagse situatie is dit zeer zeker niet. Aandachtig luistert pater Frans naar hetgeen Leon vertelt. Al snel vinden de twee elkaar. Ze gaan er samen naartoe! Als het tijdstip bekend is belt Leon Rasser een volgende partij. En jawel, ook het zeemanshuis doet mee. Het busje is beschikbaar, inclusief chauffeur. Vroeg in de ochtend van donderdag 15 maart melden beiden zich op de Radarweg. Nadat de havendominee wat attributen uit de gebedsruimte heeft gehaald, kunnen we weg. Zo’n tien minuten later duikt de hoge poort van Oiltanking op. Omdat Leon onze komst al eerder heeft aangemeld laat de security ons direct door. Terwijl we de terminal oprijden, kijkt de pater z’n ogen uit. Dit is volstrekt nieuw voor hem. Welk een wereld. Imposant, surrealistisch, kil. Het beeld is er een van kolossale opslagtanks, ontelbare leidingen en enorme tankers. Dan staat de bus stil. We stappen uit. De Tenacity ligt er rustig bij. Niets aan de hand, zo lijkt het.

Op het dek van de benzinetanker worden we vriendelijk ontvangen. Nadat we staan ingeschreven en een pas om de hals hebben, gaat de Filippijnse matroos ons voor naar de accommodatie. Via de pompkamer stappen we een grote ontvangstruimte binnen. Handen worden geschud. Blikken gaan over en weer. Blikken van zorg, hoop, verwachting. Als de koffie op tafel staat, steekt de kapitein van wal. Met de minuut groeit mijn bewondering voor de man. Een ding is zeker. Hij heeft lef, heeft er geen enkele moeite mee zich kwetsbaar op te stellen. Het welzijn van z’n crew heeft de hoogste prioriteit. Een klein uur later is de situatie helder. Duidelijk is dat maar weinig bemanningsleden zich hier echt op hun gemak voelen. Vooral ‘s nachts niet. Want juist dan gebeuren die rare dingen. Geklop op deuren terwijl er niemand is, gefluit in gangen die leeg zijn en meer van dat soort onverklaarbare zaken. De camerabeelden bevestigen de bange vermoedens. Op een duister dek zijn vage, lichtgevende schimmen zichtbaar. Schimmen die er niet horen te zijn. Hield men het in eerste instantie nog op verbeelding, toen het stilzwijgen werd verbroken werd ook de visie bijgesteld. Niet doen alsof er niets aan de hand is maar… hulp inroepen.


Na het stellen van de nodige vragen denken Leon Rasser en Frans Gerritsma er eender over. Het gehele accommodatieblok dient gezegend te worden. Onder begeleiding van de tweede stuurman gaan we naar boven. Op de brug vangt de pater z’n sprenkelarbeid aan. Dat hij de waarschuwing van de dominee niet in de wind slaat, zie ik ook, Zonder de instrumenten te raken, regenen de druppels de open ruimte in. Niet eerder dan dat Gerritsma alle hoeken gehad heeft, gaan we omlaag. Een voor een worden de deuren geopend en volgt eenzelfde ritueel. Ook de woorden veranderen niet: ‘In the name of the Father, the Son, and the Holy Spirit’ De laatste halte is de machinekamer. Niet eerder dan we de oordopjes inhebben, wordt de weg vervolgd. Voorzichtig lopen we van de ene naar de andere ruimte. Grote ruimtes, gehorige ruimtes, ruimtes vol dieselwalm. Dat de pater franciscaan vandaag in burger is gekomen, blijkt een goede zet geweest. De bordessen zijn glibberig en overal steken allerhande onderdelen uit. Een plek waar je zo onderuit gaat. En al helemaal met een lange, onhandige pij om je lichaam. Dan valt m’n oog op iets anders. Naast de generator staat een bord met eten. Een grote hoop witte rijst geflankeerd door groentes en twee stevige kippenbouten. Waarom die hier staat had de kapitein ons al verteld. Om de geesten gunstig te stemmen had men her en der wat voedsel neergezet. Een kwestie van het zekere voor het onzekere nemen…

Dat het gezag ze liever kwijt dan rijk is horen we tijdens de lunch. Een lichte angst is er de oorzaak van dat meerdere bemanningsleden moeite hebben met slapen. Om wat meer grip op de situatie te krijgen zijn er zelfs die de hutverlichting continu aanhouden. Dag en nacht. Als de kapitein middels de intercom omroept dat er om 13.00 uur ook nog een ‘personal blessing’ zal zijn, wordt het druk. Een voor een stappen de bemanningsleden op pater Frans af. Wat volgt is de handoplegging, het uitspreken van de zegen en het kruisteken. Tenslotte doopt de zeeman z’n hand in het de kom met wijwater en zoekt z’n plek in de cirkel weer op. Als een ieder aan de beurt is geweest en een gezamenlijk ‘Onze Vader’ heeft geklonken, stapt de kapitein naar voren. Uitvoerig dankt hij beide ‘fathers’ voor hun komst. Voor het vragen van Gods bescherming; voor crew, schip en reis. Wat volgt is een spontaan en luid applaus. De jassen gaan aan, het schip wordt verlaten, de missie zit erop.

Dat die missie niet zonder effect is gebleven, blijkt twee dagen later. Als zes zeelieden van de Tenacity het zeemanshuis binnenstappen, is mijn vraag een vanzelfsprekende. Nadat de derde wtk een grote pitcher bier heeft bestelt, zet hij een vrolijk gezicht op. ‘Since your visit everything calmed down,’ lacht hij. ‘I have to be careful but we think the ghosts have left our vessel.’ Na m’n verwondering is er de blijdschap en een even brede lach. ‘And when are you leaving Amsterdam,’ vervolg ik. ‘Tomorrow sir. A pity, we love this place!’

Leo Bersee